A GLOBAL ONE HEALTH

Strijd tegen zoönosen

Foto: Shutterstock

DOOR Marion de Boo


Om de opkomst van infectieziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn beter te begrijpen, is een multidisciplinaire aanpak nodig. Wageningse onderzoekers kijken naar biologische factoren èn menselijk gedrag om beter in te spelen op zoönosen.

IN 2008 en 2009 woedde er een hevige epidemie van Q-koorts in Nederland. Deze infectieziekte was al langer bekend als infectieziekte tijdens de lammerperiode van melkgeiten en melkschapen. Doorgaans werden er jaarlijks zo’n vijftien mensen besmet, met name geitenhouders of hun familieleden. Nu trof de ziekte ineens honderden mensen: 95 patiënten overleden, vele andere werden chronisch ziek.


Hoe kan een zoönose ineens zo sterk opkomen? En als je dat kunt vaststellen, kun je ze dan ook voorspellen en beïnvloeden? Dat is waar het onderzoek van viroloog Wim van der Poel zicht op richt. Samen met zijn collega’s keek Van der Poel naar de factoren die in het spel zijn bij de overdracht van zoönosen.


Van der Poel: “Daarbij hebben we alle bijkomende factoren in kaart gebracht, ook degene waar je als veterinair onderzoeker in eerste instantie niet zo gauw aan denkt. Daardoor hebben we een bredere kijk gekregen op het vóórkomen van infectieziekten.”

Hoe kan een zoönose ineens zo sterk opkomen? En kun je ze ook voorspellen?

Alle relevante factoren voor de overdracht van zoönosen zijn in diagrammen ondergebracht en zowel in de ruimte als in de tijd geanalyseerd. Naast de biologische factoren, zoals de verspreiding van de bacterie via de lucht, mest en de geiten- of schapenmelk, spelen ook sociaaleconomische factoren een rol.


Zo is in Nederland de geitenhouderij sterk toegenomen doordat geitenmelk en geitenkaas een niche in de markt bleken, terwijl voor het houden van geiten – anders dan destijds voor melkkoeien – geen melkquotum nodig was.


Enkele Nederlanders kregen in 2017 hersenvliesontsteking door besmetting met het TBE-virus door een tekenbeet. WUR onderzocht schapen uit de omgeving om te zien of het virus zich al verder had verspreid, en of er aanleiding was voor verdere maatregelen.

Weersfactoren zijn eveneens van invloed. De epidemie van 2008-2009 speelde zich af in een droge periode, waarbij de ziekmakende bacteriën goed kon overleven en zich gemakkelijk met stof door de lucht konden verspreiden.


Maar het team keek niet alleen naar Q-koorts. Ook de Ziekte van Lyme en rabiës werden onderzocht. Lyme wordt veroorzaakt door een ziekmakende bacterie en overgedragen via besmette teken. Door de klimaatverandering schuift het verspreidingsgebied van de Ziekte van Lyme langzaam naar het noorden op. Er is geen vaccin voor Lyme.

Biologische geitenhouder in Stolwijk. Grote concentraties geitenhouderijen pakken negatief uit voor de volksgezondheid. Foto: Melchert Meijer zu Schlochtern

Als derde epidemie is in het onderzoek gekeken naar rabiës of hondsdolheid. Die wordt veroorzaakt door een virus en speelt vooral in ontwikkelingslanden een grote rol.


Van der Poel en zijn collega’s brachten in kaart in kaart op welke punten men zou kunnen ingrijpen om dergelijke epidemieën in de toekomst te voorkomen. Dit wordt een ‘interventie-analyse’ genoemd. Van der Poel: “Voor Q-koorts geldt dat de overheid nu erkent dat grote concentraties geitenhouderijen negatief uitpakken voor de volksgezondheid.”

Fijnstof

In een aanpalend onderzoek, het Onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), is bovendien vastgesteld dat geitenhouderijen een hoge uitstoot aan fijnstof geven. “Daartegen zouden in de bestaande situatie maatregelen genomen kunnen worden. En op termijn is het wellicht beter om dergelijke hoge concentraties geitenbedrijven niet aan te moedigen. We hebben ook contact gehad met onderzoekers in landen als Australië en Frankrijk, waar eveneens Q-koorts voorkomt.”


Mogelijke maatregelen tegen Lyme kunnen variëren van het terugdringen van de teken door het aanpassen van de begroeiing van natuurgebieden tot het vaker controleren van bezoekers of honden of het afsluiten van natuurgebieden voor publiek.


“Uit de berekeningen blijkt dat men met vrij simpele middelen – zoals publieksvoorlichting – het aantal infecties al flink kan verminderen”, zegt Van der Poel. “ We constateren dat het publiek zich steeds beter van de kans op deze ziekte bewust is, wat echter niet altijd wil zeggen dat men dan ook passende maatregelen neemt door bijvoorbeeld lange mouwen en een lange broek te dragen.”

Geitenkaas bleek een gat in de markt, waardoor het aantal geitenhouderijen in Nederland enorm is toegenomen. Foto: Shutterstock

Geitenhouders zijn tegenwoordig verplicht hun geiten te vaccineren.

Foto: Rob Voss/ Hollandse Hoogte

Het acceptatievermogen van mensen ten aanzien van geadviseerde maatregelen verandert ook. “Bij nieuw opkomende ziekten zijn mensen doorgaans eerder bereid om de adviezen op te volgen dan bij ziekten die al langer bestaan. Dat zijn van die sociale factoren waarmee je óók rekening moet houden.”

Opwarming tegengaan

Het acceptatievermogen van mensen ten aanzien van geadviseerde maatregelen verandert ook. “Bij nieuw opkomende ziekten zijn mensen doorgaans eerder bereid om de adviezen op te volgen dan bij ziekten die al langer bestaan. Dat zijn van die sociale factoren waarmee je óók rekening moet houden.”


Om het oprukken van nieuwe infectieziekten naar het noorden tegen te gaan, is het belangrijk om klimaatverandering hoog op de prioriteitenlijst te houden. We moeten de opwarming van de aarde tegengaan, aldus Van der Poel.


De onderzoekers maakten een kosten-batenanalyse van denkbare maatregelen, waarbij ook de ‘ziektelast’, zoals het risico om levenslang invalide te worden, wordt meegewogen. Er zijn ook bestrijdingsmiddelen tegen Lyme in ontwikkeling en daarvan wordt eveneens onderzocht wat die kosten en hoe effectief ze zijn.

“Uit onderzoek blijkt dat met publieksvoorlichting het aantal infecties van dier op mens al flink kan verminderen”

Het ministerie van LNV maakt gebruik van de analyses. Zo zijn geitenhouders tegenwoordig verplicht om hun geiten te vaccineren als de Q-koorts bacterie voorkomt op hun bedrijf.


Inmiddels staat een nieuw KennisBasisonderzoek in de startblokken, om nog beter te kunnen voorspellen welke nieuwe ziekteverwekkers in de toekomst een bedreiging kunnen gaan vormen. Van der Poel: “Hierbij betrekken we naast de genoemde biologische en sociaaleconomische factoren ook de microben die van nature in mens of dier aanwezig zijn.”

Vatbaarheid

De patronen daarvan willen de onderzoekers gaan analyseren. “Wij vermoeden namelijk dat die microbiële samenstelling een rol kan spelen bij het verklaren van individuele verschillen in vatbaarheid voor infectieziekten. Overigens is het leeuwendeel van de microben die wij met ons meedragen volstrekt onschuldig. Dan vraag je je af waarom die kleine hoeveelheid ziekteverwekkers ineens zo de overhand kan krijgen.”


Onderzoek naar dat microbioom is volgens Van der Poel een spannend nieuw onderzoeksveld. “Daar staan nog grote ontdekkingen te gebeuren om ziekteverwekkers de kop in te drukken. Als we beter begrijpen hoe dat palet van micro-organismen ontstaat, kunnen we het overdragen van infectieziekten en ontstaan van antibioticaresistentie beter tegengaan.”

WIE

Wim van der Poel, onderzoeksleider ‘Emerging and Zoonotic Viruses’ bij Wageningen Bioveterinary Research

ONDERZOEK

Biologische en antropogene drivers voor het ontstaan van zoönosen

TEAM

Onderzoekers van Wageningen Livestock Research, Wageningen Plant Research, Wageningen Food & Biobased Research en Wageningen Bioveterinary Research

Deel dit artikel

Lees het volgende artikel

Synthetic Biology | Tomatenplant krijgt nieuwe helpers