GENETISCHE BRONNEN

Een schatkamer vol zaden

Beeld: Shutterstock

Wageningen University & Research beheert een genenbank barstensvol zaden. Zo’n 23.000 rassen en wilde populaties van minstens 25 verschillende groentegewassen zijn er vertegenwoordigd. Veilig opgeslagen in de diepvries vormt dit materiaal de basis van onze toekomstige voedselvoorziening.

In een gehuurde 4W drive legden ze duizenden kilometers af, dwars door de bergachtige binnenlanden van Oezbekistan en Tadzjikistan. In de brandende zon, over nauwelijks begaanbare geitenpaadjes, gingen de leden van een Wagenings expeditieteam op zoek naar wilde spinazieplanten.

Volgens lokale bewoners groeiden die in vorige zomers nog volop in de bergdalen, maar nu bleken ze ineens moeilijk te vinden. Na lang zoeken ontdekte het team toch nog goede vindplaatsen en keerde terug met een rijke oogst aan wilde spinaziezaden, goed gedocumenteerd en zorgvuldig verpakt in linnen expeditiezakjes.

Bij het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) van Wageningen University & Research (WUR) werd het kostbare wilde materiaal veiliggesteld voor de toekomst en nader onderzocht voor mogelijk gebruik in veredelingsprogramma's.

Voortdurend veredelen

“Veredelaars zijn nu eenmaal nooit klaar”, zegt Theo van Hintum, Hoofd Plantaardige genetische bronnen van CGN. “Kijk maar in de supermarkt. We eten nu heel andere groenten dan dertig jaar geleden. We willen ook groenten met een betere smaak of betere houdbaarheid. Sla wordt tegenwoordig verkocht in plastic zakken, waarop de plantvorm moet worden aangepast. Er komen voortdurend nieuwe ziekten aan, en dat terwijl we niet meer willen spuiten. Bovendien moeten we onze gewassen aanpassen aan een veranderend klimaat.”

‘Veredelaars zijn nooit klaar. We eten nu heel andere groenten dan dertig jaar geleden’

Spinazie en sla, tomaat en komkommer, broccoli en boerenkool: CGN beheert een genenbank, waarin ruim 23.000 rassen en wilde populaties zijn opgeslagen van zo’n 25 land- en tuinbouwgewassen. De collectie omvat commerciële rassen, oude primitieve rassen en wilde verwanten van onze gewassen uit meer dan honderd landen. Veredelaars en onderzoekers kunnen uit de collectie putten.

Het beheer van de genenbanken (naast de genenbank voor gewassen zijn er ook genenbanken voor dieren en bomen) is onderdeel van een van de Wettelijke Onderzoekstaken van WUR. De plantengenenbank, die tien medewerkers telt, draagt zo namens Nederland bij aan behoud en gebruik van plantaardige genetische diversiteit in het kader van het wereldwijde Biodiversiteitsverdrag (CBD) en andere internationale overeenkomsten.

Genetische erosie

Van Hintum signaleert een wrange paradox. “Voor een succesvolle plantenveredeling is het behoud van genetische variatie onmisbaar. Maar juist door de successen van diezelfde moderne plantenveredeling dreigt de wereldwijde genetische variatie in hoog tempo uit onze landbouw te verdwijnen, nu men overal dezelfde gewassen en rassen is gaan telen. Zonder genenbanken zou het voortbestaan van onze voedselveiligheid op den duur in gevaar komen.”

De zaden worden licht vacuüm verpakt in aluminium zakjes en bewaard bij min 20 graden Celsius. Foto: Guy Ackermans

Meer dan tienduizend jaar geleden verzamelden de allereerste boeren wilde planten om als voedselgewassen bij hun hutjes te gaan verbouwen. Eeuwenlang bleven boeren mengelmoesjes van verschillende planttypen zaaien en poten.

In die zogenoemde ‘landrassen’ of ‘boerenrassen’ zat een grote genetische variatie. Daarmee speelden de boeren op zeker, want of het seizoen nu warm of koud werd, nat of droog, met veel of weinig ziekten op het veld, in zo'n bont mengsel zaten altijd wel een paar geschikte planten, zodat er steeds wat te oogsten viel.

Systematisch en wetenschappelijk

Pas anderhalve eeuw geleden werd de plantenveredeling meer systematisch en wetenschappelijk aangepakt. Veredelaars gingen doelgericht kruisen om betere rassen te maken.

Ze ontdekten dat het kruisen van twee uitgekiende ouderlijnen superieure nakomelingen kan opleveren. Zo ontstonden de moderne rassen, die - mits vertroeteld met genoeg water, kunstmest en bestrijdingsmiddelen - voor spectaculair hogere opbrengsten zorgden.

CGN zakjes met zaden van gewassen. Foto: CGN

Er zijn zaden van veel verschillende soorten erwten opgenomen in de genenbank. Foto: CGN

“De moderne rassen werden wereldwijd populair en vervingen de oude landrassen razendsnel”, zegt Van Hintum. “Een land als Mexico kende geen hongersnoden meer en ging zelfs maïs exporteren. Maar op de lange termijn schieten veredelaars zichzelf daarmee in de voet. Want als de genetische variatie uit een gewas verdwijnt, verdwijnt de grondstof voor toekomstige kruisingen. En dan wordt het steeds moeilijker om gewassen aan te passen aan de eisen van de toekomst.”

Genenbanken wereldwijd

Inmiddels wordt dit probleem van ‘genetische erosie’ breed onderkend. Vrijwel elk land heeft nu een of meer eigen genenbanken. In Wageningen ging in 1985 het CGN van start. In deze nieuwe genenbank werden de bestaande werkcollecties van diverse Wageningse onderzoeksinstituten opgenomen.

Wageningen koos ervoor om zich toe te leggen op groentegewassen. Daarnaar gebeurde al veel onderzoek en bovendien zijn de belangrijkste groentenveredelaars wereldwijd meestal Nederlandse bedrijven. Zo beschikt het CGN over de grootste collectie sla ter wereld, met zo'n 2500 verschillende accessies, te weten monsters van 1500 rassen plus 1000 populaties van wilde verwanten.

Er groeien zo'n 250 verwanten van onze huidige groenten nog steeds in het wild, zoals veldsla en asperge

Van Hintum: “Wij hebben twee grote doelen. Ten eerste de conservering. Wij zorgen dat ook onze kleinkinderen straks nog toegang hebben tot genetische bronnen, zodat zij verder kunnen veredelen. Ten tweede steken we veel tijd en moeite in het goed toegankelijk maken van onze collecties. Daarbij is onze genenbank ook een kennisbank. Je wilt immers weten welke lijnen of ‘accessies’, zoals wij ze noemen, bepaalde eigenschappen hebben. We zijn dan ook op grote schaal bezig om ons materiaal te sequencen, om het genetisch te karakteriseren. Dat doen we in samenwerking met de gebruikers.”

Kwaliteitszorg

Om aan zijn internationale verplichtingen te kunnen voldoen heeft het CGN in 2003 als eerste genenbank ter wereld een kwaliteitszorgsysteem geïmplementeerd, namelijk ISO 9001, compleet met gedetailleerde protocollen, noodgeneratoren en een doordacht toegangsbeleid voor bezoekers.

De zaden worden licht vacuüm verpakt in aluminium zakjes en bewaard bij min 20 graden Celsius. Ze moeten goed bewaard worden voor toekomstige generaties èn goed toegankelijk zijn voor gebruikers. Er moet altijd voldoende authentiek materiaal van goede kwaliteit voor hen klaar liggen en dat lukt dankzij goed voorraadmanagement in 99,7 procent van de gevallen.

Verschillende slasoorten in kiembakken van CGN. Monsters worden regelmatig op kiemkracht getest en zo nodig uitgezaaid. Foto: CGN

Monsters worden regelmatig op kiemkracht getest en zo nodig uitgezaaid om het plantmateriaal te vermeerderen. Van al het materiaal wordt veiligheidshalve een duplicaat opgeslagen bij de internationale genenbank op Spitsbergen.

Spruitjes uit grootmoeders tijd

Van Hintum: “Onze afnemers zijn in de eerste plaats onderzoekers en professionele veredelaars. Daarnaast leveren we soms ook aan organisaties die zich bezig houden met oude rassen als cultureel erfgoed. Zij leveren dan bijvoorbeeld weer aan slow cooking restaurants, waar mensen dan bijvoorbeeld nog eens kunnen proeven hoe spruitjes vroeger smaakten.”

Overigens groeien zo'n 250 verwanten van onze huidige groenten nog steeds in het wild, aldus Van Hintum. Er groeit bijvoorbeeld wilde veldsla op de Grebbeberg en wilde asperge op de Waddeneilanden. De wilde kompassla is te kruisen met onze moderne kropsla. Van Hintum: “Samen met natuurorganisaties proberen we dit erfgoed in stand te houden. Het liefst zouden we wereldwijd zo veel mogelijk verzamelen, maar dat stuit tegenwoordig op ingewikkelde juridische problemen, want het eigendomsrecht ligt bij het land van herkomst.”

Daarom verzamelen we noodgedwongen vooral in eigen land. Gelukkig zijn onze internationale verzamelexpedities voor spinazie nog wèl gelukt, anders had er wellicht nu geen spinazie meer bij de groenteman gelegen. In elk geval is dit internationaal georiënteerde, toekomstgerichte werk ontzettend leuk om te doen. Ik kan mij geen mooiere baan wensen.”

Onderzoeker en seed hunter Chris Kik reist de hele wereld over om wilde groente zaden te zoeken. Dankzij die zaden kunnen we sterke groenten kweken. Maar hoe zit dat precies?

WIE

Theo van Hintum, Hoofd Plantaardige genetische bronnen bij CGN

ONDERZOEK

Beheer genenbank voor gewassen bij CGN

WOT

Genetische bronnen, Centrum voor Genetische Bronnen Nederland in samenwerking met onder meer Nederlandse veredelingsbedrijven en Plantum, de Oerakker, de Global Crop Diversity Trust, en andere Europese genenbanken binnen de ECPGR (The European Cooperative Programme for Plant Genetic Resources)

Deel dit artikel

Lees het volgende artikel

Voedselveiligheid | Toxines opsporen in mosselen en oesters